Grenzen & GroeiGrenzen & Groei
Terug naar verhalen

Anoniem verhaal

Ik zei altijd ja

Vrouw, 38·± 5 min lezen

Een vrouw die overal ja op zei, tot de boosheid haar duidelijk maakte dat ze zichzelf steeds voorbijliep.

Ik zei altijd ja. En op een dag merkte ik dat ik boos was op bijna iedereen die mij iets vroeg.

Niet hard boos. Meer een moe soort irritatie, diep vanbinnen, die ik nergens kwijt kon. Want van buiten was ik nog steeds aardig. Ik was degene op wie je kon rekenen.

Ik hoorde mezelf al ja zeggen

Op mijn werk nam ik elke taak aan. Er hoefde maar iemand bij mijn bureau te komen staan met dat blik van kun-jij-misschien, en ik voelde het al aankomen.

Ik wist vaak dat ik het er niet bij kon hebben. Ik wist het al voordat de vraag helemaal was uitgesproken. En toch hoorde ik mezelf zeggen: ja hoor, dat komt goed. Alsof iemand anders het zei en ik er alleen bij stond.

In vergaderingen was het het ergst. Er viel een stilte nadat iemand vroeg wie iets op zich wilde nemen, en die stilte kon ik niet verdragen. Voordat een ander iets kon zeggen, hoorde ik mezelf al: ik pak het wel op. Daarna zat ik de rest van de vergadering te rekenen hoe ik het er in vredesnaam bij ging doen.

Thuis regelde ik alles

Thuis was het niet anders. Ik onthield de verjaardagen, plande de weekenden, hield in de gaten of iedereen het naar zijn zin had. Als er iemand teleurgesteld keek, ook al ging het niet eens over mij, voelde ik dat de rest van de dag.

Ik dacht lang dat dat gewoon bij me hoorde. Dat ik nu eenmaal een gevoelig, zorgzaam mens was. En dat is ook zo. Maar er zat iets onder dat minder mooi was.

De avond die het duidelijk maakte

Er was een avond, ik weet het nog precies. Ik had net mijn schoenen uitgeschopt toen mijn telefoon trilde. Een vriendin, met de vraag of ik de volgende dag op haar zoon kon passen.

Ik had geen tijd. Ik had ook geen zin. Ik was die week op. Ik voelde alles in mij nee zeggen.

Onderweg naar mijn telefoon ging het rijtje alweer door mijn hoofd. Ze heeft me nodig. Het is maar een paar uur. Ik kan toch niet zomaar nee zeggen, straks denkt ze dat ik haar niet wil helpen. Elk argument was op de ander gericht. Geen enkele op mezelf.

En toch typte ik: ja hoor, is goed! Met een uitroepteken erachter, zodat het vrolijk zou klinken. Ik legde mijn telefoon weg en voelde meteen die bekende steen in mijn maag.

De volgende dag paste ik op. Ik was lief voor haar zoon, we hebben het zelfs gezellig gehad. Maar er zat de hele tijd een randje irritatie omheen dat er niet hoorde te zijn. Hij had niets gedaan. Zij had niets gedaan. Ik was degene die ergens ja op had gezegd wat ik niet meende.

De boosheid was niet voor haar

Die nacht lag ik wakker. Ik lag te malen en te mopperen in mijn hoofd. Op haar. Hoe kon ze dat nou vragen, ze weet toch hoe druk ik het heb.

Maar zij had niets verkeerd gedaan. Ze had gewoon iets gevraagd. Ik had ja gezegd. Zij kon niet weten wat dat ja mij kostte, want ik liet het nooit zien.

De boosheid was niet voor haar. Die was voor mezelf, omdat ik weer over mijn eigen grens was gegaan.

Wat ik eigenlijk vermeed

Toen ik er langer over nadacht, snapte ik iets. Ik zei geen ja omdat ik zo graag hielp. Ik zei ja omdat ik bang was voor het moment daarna. Voor de stilte. Voor dat ene teleurgestelde gezicht.

Ik dacht altijd dat schuldgevoel betekende dat ik iets verkeerd deed. Dus als iemand teleurgesteld zou zijn, moest ik wel fout zitten. Zo hield ik mezelf klein, om niemand dat gevoel te hoeven geven.

Mijn vriendin, mijn collega's, mijn familie: niemand van hen had gevraagd of ik mezelf wilde wegcijferen. Dat deed ik zelf, in de hoop dat niemand ooit teleurgesteld in me zou zijn. Ik had er alleen nooit bij stilgestaan dat ik ondertussen de hele tijd teleurgesteld was in mezelf.

Dat komt me nu niet uit

Ik ben klein begonnen. Met een zin: dat komt me nu niet uit. Geen uitleg erachter, geen drie redenen om het te verzachten. Alleen die ene zin.

De eerste keren voelde het als verraad. Mijn hart ging sneller, ik wilde het meteen terugnemen, er iets liefs achteraan zeggen. Ik deed het niet. Ik hield de stilte vast en wachtte tot de wereld zou instorten.

De eerste keer dat ik het echt hardop zei, was tegen een collega die vroeg of ik zijn presentatie wilde nakijken, op een dag dat mijn eigen werk al overliep. Dat komt me nu niet uit, zei ik. Ik voelde mijn wangen warm worden. Hij keek even op, zei oke, en draaide zich weer om naar zijn scherm. Dat was alles. Meer gebeurde er niet.

De wereld stortte niet in. Mensen zeiden: oh, oke, jammer. En daarna gingen ze verder. Sommigen vroegen iemand anders. Niemand vond mij ineens een slecht mens.

Het blijft soms wringen

Ik wil niet doen alsof ik nu overal moeiteloos nee op zeg. Dat zou niet kloppen. Soms glipt er nog een ja uit voordat ik er erg in heb. Soms voel ik nog dagen dat iemand misschien iets van me vindt.

Het verschil is dat ik het nu merk. Ik voel de neiging, en heel soms lukt het me om er net iets langer bij te blijven staan voordat ik antwoord geef.

Nu

Ik merk het ook aan kleine dingen. Ik zeg vaker: ik denk er even over na. Ik antwoord niet meteen op elk bericht. Ik geef mezelf de paar seconden die ik vroeger meteen weggaf. In die paar seconden zit precies het verschil.

Ik ben minder vaak boos op de mensen om me heen. Dat is het gekke. Doordat ik af en toe nee zeg, hoef ik niemand meer stiekem iets kwalijk te nemen wat ik zelf niet heb tegengehouden.

Ik hoef niet meer aardig te zijn om te verbergen dat ik uitgeput ben.

Waar in jouw leven zeg je ja, terwijl je diep vanbinnen allang weet dat je nee bedoelt?

Deel dit

Dit verhaal is gebaseerd op echte ervaringen. Namen en herkenbare details zijn veranderd of weggelaten om de identiteit te beschermen.